De verschillende streken in het Meetjesland

 

'Meetjesland' is de naam van het noordoostelijke deel van de provincie Oost-Vlaanderen. Het grenst in het Noorden aan Zeeuws-Vlaanderen in Nederland en in het westen aan de provincie West-Vlaanderen. In het zuiden vormen de leembodems de overgang naar de Leiestreek en de Vlaamse Ardennen. In het oosten vormt de Gentse agglomeratie en het kanaal naar Terneuzen de grens.

Hieronder vind je een beschrijving van de 4 verschillende landschapstypes die we in het Meetjesland kunnen onderscheiden:

 

Krekengebied

 

Het kreken-of poldergebied omvat de polders in de gemeenten Maldegem (Middelburg), Sint-Laureins, Assenede en Zelzate. 
Het is ontstaan onder invloed van verschillende opeenvolgende overstromingen vanaf de Middeleeuwen. 
Die drongen diep landinwaarts door de bestaande zeewering en hebben als het ware een laag klei gelegd op het oude, zandige landschap.

 

24 polder 036 kleiner

 
Hoe herkennen? 
 
  • Zeer vlak reliëf (hoogte tussen 2 en 5m boven de zeespiegel)
  • Zandige klei- of kleiig-zandige bodems, kalkhoudend
  • Opeenvolging van polders, omgeven door dijken
  • Talrijke kreken in het landschap, met vaak een hoekig verloop
  • Vlakbij sommige dijken zijn ‘wielen’ of ‘welen’ terug te vinden
  • Dijken en waterlopen begeleid door opgaande bomenrijen (meestal populier, abeel of es)
  • Ondergrond met zeer hoge agrarische waarde: voornamelijk akkerbouw
  • Grote percelen, weinig perceelsrandbegroeiing
  • Woonkernen op hoger gelegen plaatsen
  • Kleine landarbeiderswoningen op en tegen dijken
  • Grote, kapitaalkrachtige boerderijen verspreid in de polder, omgeven door (knot)bomenrijen en kanten

 

Meetjesland binnen zandig Vlaanderen

 

Een groot deel van wat het Meetjesland wordt genoemd, behoort tot de Vlaamse Zandstreek. De ontwikkeling ervan hangt samen met die van de Vlaamse vallei. Het ontstaan van die Vlaamse vallei gaat terug tot de periode van de laatste IJstijden (116 000- 11000 jaar geleden).

Over de naam van het Meetjesland doen verschillende verklaringen de ronde. Enerzijds is er de lengtemaat ‘gemet’ (meervoud ‘gemeten’) waarmee oppervlaktes van percelen werden aangeduid in vroeger tijden; anderzijds zou de naam verwijzen naar de langgerekte percelering van landbouwgronden, haaks op de (landbouw)wegen.

 

meetjes

bron: reportage Nina De Vroome

 

Hoe herkennen? 

 

  • Vlak gebied met grote zandrug en meerdere parallelle ruggen
  • Zandige bodems, van nature zeer droog of zeer nat
  • Restanten van boscomplexen op agrarisch minst waardevolle bodems (zandrug Maldegem-Stekene, depressie ter hoogte van Het Leen)
  • Gehuchten en dorpskernen op hoogste plaatsen: zandruggen en donken
  • Oorspronkelijk grote straatdorpen of driesstructuur, nu met elkaar verbonden door lintbebouwing. Sterk verstedelijkt en versnipperd gebied.
  • Talrijke wegen en verspreide bebouwing
  • Restanten van 19de-eeuwse kleinschalige landbouwbedrijven met huisweiden, hagen en hoogstammige boomgaarden
  • Agrarisch landschap: gemengde bedrijven en voedergewassen (grasland en maïs) als voornaamste teelten
  • Smalle en langwerpige repelpercelen die het Meetjesland haar naam gaven (de zogenaamde ‘meetjes’)
  • Restanten van perceelsrandbegroeiing (knotwilgen- en elzenrijen, bomenrijen, hagen en houtkanten)
  • Ontelbare grachten en sloten tussen weilanden en akkers
 
Veldlandschap
 
De veldgebieden van Maldegem, Knesselare en Aalter behoren niet tot de Vlaamse vallei en zijn tot ontwikkeling gekomen op een oudere, onderliggende reliëfvorm: de cuesta’s.
Een cuesta is een reliëfvorm die gevormd werd door de afzetting van afwisselend harde, weerstand biedende en zachte, erosiegevoelige lagen.
Door de eroderende werking worden de zachte lagen eerder weggeschuurd en blijven de weerstand biedende lagen overeind. Op die manier ontstaat uiteindelijk een reliëfvorm met langs de ene kant een steile (=cuestafront) en langs de andere kant een zwakke helling (=cuestarug).

Brem langs dreef bijgekleurd

 
Hoe herkennen? 
 
  • Vrij vlak gebied met questa Oedelem-Zomergem: zwakke helling in het noorden en questafront als steile zuidelijke helling
  • Variërende bodemsamenstelling: stuwwatergronden in ondiepe, zware kleilagen (Maldegemveld) afgewisseld met dagzomende zure, uitgeloogde zandgronden (Bulskampveld)
  • Agrarisch minder interessante, marginale gronden: zogenaamde ‘woeste gronden’, lange tijd ongeschikt voor landbouw
  • Relatief bosrijk gebied (Drongengoed, Bulskampveld), systematisch geëxploiteerd in het verleden
  • Dambordvormig ontginningspatroon met dreven (Zomereik) kenmerkend in huidig bos- en agrarisch gebied
 

Kouters (open field) en bulken

Het zuiden van het geografi sche Meetjesland (Aalter, Nevele) wordt begrensd door een noordoostelijke uitloper van het zogenaamde Plateau van Tielt en vormt de overgang tussen de zanden de leemstreek.
Hier begint een ander landschapstype: het kouter- en bulkenlandschap. Echte kouterlandschappen komen voor in de Vlaamse Ardennen. In dit deel van het Meetjesland spreken we van zogenaamde akkers of 'Open Fields'. 

Tijdens de vroege Middeleeuwen werden rond de bebouwde kernen stukken vruchtbaar land in akkers omgezet. Naarmate het bevolkingsaantal groeide, steeg de vraag naar grond. De vroegmiddeleeuwse akkers werden uitgebreid tot grote, aaneengesloten blokken : de kouters. Tussen de kouterruggen liggen lager gelegen matig natte gronden. Ze zijn moeilijker te bewerken. Ze zijn later ontgonnen en de ontginning gebeurde individueel (􀀔<-> kouter). In tegenstelling tot de open kouter heeft het landschap er een gesloten karakter. Het zijn de zogenaamde bulken.

 

kouters en bulken

De grote, open kouters op de microruggen contrasteren met de kleinschalige, door knotbomen omsloten bulken in lager gelegen gebieden (bron: google earth)

 

 

43 EVC 4364 kleiner

vooral (knot)populier, (knot)els en (knot)wilg werden traditioneel aangeplant in de 'bulken'

 

Hoe herkennen? 

 

  • Zandleem- of lemige zandgronden (uitlopers van het plateau van Tielt en gebied tussen Kale en Leie), alluviale klei nabij –voormalige – waterlopen
  • Grote open kouters op hoger gelegen delen (droge, lichtlemige zandgrond bovenop de microruggen) – zeer weinig houtige kleine landschapselementen
  • Gesloten bulken (zandgronden tussen hogere zandlemige ruggen) – talrijke knotbomenrijen rond de percelen
  • Meersengebied in onmiddellijke omgeving van de waterlopen binnen de Vallei van Oude Kale en Leie – oorspronkelijk weinig begroeiing, in latere periode ook knotwilgenrijen