Het Meetjesland vol 'tronken' ... of toch niet?

Oude kaarten tonen ons het Meetjesland van onze voorouders. Kleine perceeltjes en overal groene lijntjes en stippen: hagen, (knot)bomen en houtkanten. Dit kleinschalige landschap is het gevolg van vele generaties boeren die het vorm hebben gegeven. De talrijke hagen en houtkanten dienden als veekering en zorgden voor de beschutting van de gewassen en het vee. Het hout was welkom als leverancier van gerief- en brandhout. Alles had een functie en werd lokaal ontgonnen en gebruikt.


Planten en dieren profiteerden van de groene linten en konden in de dichte begroeiing schuilen, eten en zich voortplanten. Het aaneengesloten netwerk van kanten en bomen vormde een ideaal verbindingssysteem. Voor veel organismen vormden deze structuurrijke landschapselementen een voorwaarde voor het (voort)bestaan.


Vandaag moeten we over een behoorlijk verbeeldingsvermogen beschikken om het structuurrijke landschap van pakweg 100 jaar geleden voor de geest te halen. De onvermijdelijke vooruitgang in de landbouw eiste zijn tol. Door schaalvergroting, gewijzigde teelten en technieken evolueerde de landbouw naar zijn hedendaagse vorm. In die evolutie waren kleine landschapselementen het slachtoffer: ontelbare bomen en kanten werden opgeruimd. Voor hagen, houtkanten en knotbomen was vaak geen plaats meer.


Gelukkig is het ook dankzij de inspanningen van sommige landbouwers dat er waardevolle plekjes bewaard bleven. Heel wat landbouwers zijn intussen overtuigd dat kleine landschapselementen weldegelijk een positieve betekenis kunnen hebben voor de landbouw. Het boerenlandschap oogt veel mooier mét KLE's, bomen en struiken houden de bodem vast en nemen heel wat nitraten en fijn stof op. Willen we de patrijs, de ringmus, de boerenzwaluw en de steenuil behouden, dan zijn voldoende bomen en kanten gewoon nodig.


Overheden en organisaties beseffen dit en leveren inspanningen om te behouden wat rest en te herstellen wat verloren ging. Landbouwers kunnen beheerovereenkomsten sluiten met de Vlaamse Landmaatschappij en particulieren kunnen in de meeste gemeenten toelage bekomen voor het aanplanten en onderhouden van knotbomen en houtkanten. Ook het regionaal landschap zet zich in voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van kleine landschapselementen. Zo kunnen, binnen de aandachtsgebieden in het regionaal landschap, de landschapsteams een bijdrage leveren om knotbomen aan te planten of te onderhouden.


Meetjes-weetjes
De meeste boomsoorten kunnen in een knotboom (='tronk') worden omgevormd. De meest bekende soort is de (knot)wilg, maar ook populier, zomereik, linde, zwarte els en andere bomen komen voor als knotbomen.

knoteiken kleiner

Knoteiken bij de Huysmanhoeve te Eeklo


Om een knotwilg of knotpopulier te planten heb je enkel een verse dikke tak nodig (=poot). Die plant je 's winters diep in de grond en uit de slapende knoppen verschijnen in de lente de eerste scheuten. Bij andere soorten is een gewortelde plant nodig. Die wordt dan op gewenste hoogte gebracht.


Knotbomen en hakhoutstubben (ook stoven genoemd) waren lange tijd de belangrijkste leveranciers van brand- en geriefhout. Hout was een schaars product en de knotboom was een ideale manier om hout te oogsten. Iedere vijf à tien jaar werden de bomen gekapt. Het hout diende voor het vervaardigen van klompen, werktuigen, stelen en bezems.


Eigenlijk is er weinig verschil tussen een knotboom en een stoof. Alleen de hoogte waar wordt gekapt, is verschillend. Langs graasweiden vind je meestal knotbomen met stam omdat de dieren dan niet bij de takken en bladeren kunnen.


Knotwilgen en -elzen worden vaak in een vochtige omgeving geplant. Volgroeide exemplaren kunnen tijdens de zomer tot honderd liter water per dag verdampen!


Knotbomen en houtkanten bieden de ideale schuil- en nestgelegenheid aan talrijke dieren en planten. In de holtes van de bomen schuilen duiven en steenuilen. Zelfs wilde eenden durven wel eens in zo'n holte broeden.

reus

mogelijks de dikste knotwilg in het Meetjesland... in Meirlare, Zomergem