Knoestige knotbomen
Bomen kan men ongemoeid laten opgaan, maar vaak worden ze op jonge leeftijd geknot. Een knotboom is een boom die op een bepaalde hoogte wordt gekapt. Uit de slapende knoppen in de omgeving van het wondvlak lopen nieuwe scheuten uit. Afhankelijk van de hoogte waarop ze worden gekapt kunnen hakhoutstoven (dicht tegen de grond) of echte knotbomen (op stam) gevormd worden.
Vroeger hadden knotbomen een belangrijke economische betekenis. Hout was schaars en de knotboom was een ideale oplossing voor de houtproductie. Om de vier à tien jaar werd het hout ‘geoogst'. De dunne twijgen werden gebruikt voor vlechtwerk of voor het maken van bezems. Het hout diende voor geriefhout, voor het maken van klompen of weidepalen en in belangrijke mate als brandstof.
Knotbomen hadden bovendien het voordeel dat ze tot een welbepaalde hoogte konden uitgroeien. Op die manier was de houtoogst gemakkelijker.
Nu hebben de knotbomen in het landschap voornamelijk een cultuurhistorische, esthetische en een ecologische betekenis. De meest bekende boomsoort die als knotboom wordt gevormd is de schietwilg (Salix alba). Maar ook Els, Eik, Es, ... werd vaak geknot.
Verschillende overheden bieden financiële ondersteuning voor het aanplanten en het onderhouden van knotwilgen.




